De veroordeling door Pilatus en Herodes
Jezus wordt door de Joodse leiders naar de Romeinse bestuurder Pilatus gebracht. Ze beschuldigen Hem van het opzetten van het volk tegen de keizer en het claimen van het koningschap. Hoewel Pilatus geen schuld in Hem vindt, stuurt hij Jezus naar koning Herodes omdat Jezus uit Galilea komt. Herodes drijft de spot met Hem, maar stuurt Hem zonder oordeel terug naar Pilatus.
Het doodvonnis
Pilatus probeert Jezus tot drie keer toe vrij te laten, omdat hij Hem onschuldig vindt. Hij stelt voor om Hem te straffen met zweepslagen en daarna vrij te laten. De menigte blijft echter schreeuwen om zijn kruisiging en eist in plaats daarvan de vrijlating van de moordenaar Barabbas. Uiteindelijk geeft Pilatus toe aan de druk en veroordeelt Jezus tot de dood.
De kruisiging
Onderweg naar de executieplaats wordt Simon van Cyrene gedwongen het kruis te dragen. Jezus waarschuwt de huilende vrouwen langs de weg voor het onheil dat de stad te wachten staat. Op de Schedelplaats wordt Jezus tussen twee misdadigers gekruisigd. Terwijl Hij door de omstanders en soldaten wordt bespot, bidt Jezus: "Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen." Een van de misdadigers erkent Jezus als koning en krijgt de belofte dat hij diezelfde dag nog met Jezus in het paradijs zal zijn.
De dood van Jezus
Rond het middaguur valt er drie uur lang duisternis over het land en scheurt het gordijn in de tempel. Met de woorden "Vader, Ik vertrouw mijn geest aan U toe" sterft Jezus. Een Romeinse hoofdman die getuige is, concludeert dat Jezus inderdaad onschuldig was.
De begrafenis
Jozef van Arimatea, een lid van de Joodse Raad die het niet eens was met het vonnis, vraagt Pilatus om het lichaam. Hij wikkelt Jezus in linnen en legt Hem in een nieuw rotsgraf. De vrouwen die Jezus volgden, zien waar Hij wordt gelegd en bereiden specerijen voor om Hem na de sabbat te balsemen.